Dortmund

We rijden terug vanaf het Messezentrum naar ons hotel. Het is spitsuur. De straten staan vol met rijdende auto’s. Drie banen breed hokt het verkeer met het ritme van de verkeerslichten. Wij bevinden ons er middenin en met onze auto deinen we in het ritme mee. Langzaam maar zeker gaan we vooruit. De stoepen zijn leeg, al het leven is ingeblikt.

Even verderop lost het zich een beetje op. Het verkeer gaat meer vloeien. De stops worden minder, het schokken wordt meer en meer een vloeiende beweging. En zo stromen we uiteindelijk drie banen breed richting ons hotel.

Op eens staat daar naast al dat blik, aan de rand van de weg een bord. Het is niet groot, maximaal 40x80cm. en gemonteerd op een paal. Ik lees op dat bord twee woorden:

Zo maar uit het niets doemen deze twee woorden op. Langs een weg waar alleen auto’s rijden, waar voetgangers taboe zijn, waar het blik en de levenloosheid heerst, staan twee woorden:

Een man, niet groot, staat achter het bord. Zijn kleren zijn donker. Zijn rugzak hangt scheef op zijn rug en hij leunt min of meer tegen die paal, die hij vasthoudt. Hij ziet er troosteloos uit, uitgeput lijkt het wel, alle hoop lijkt bij hem vervlogen. Hangend tegen die paal die hij omhoog houdt, zijn enige steun lijkt het:

Letterlijk houdt hij zich staande, het is zijn enige steun in een wereld die voorraast in blik, waarbij hij nog de enige mens lijkt te zijn in een wereld van asfalt, uitlaatgassen en stress. Hij heeft zijn steunpunt gevonden, naast een wereld in haast, die hem waarschijnlijk uitput.

Maar wie ziet hem nog?

Michel Altorf- van der Kuil
April 2019

Dit bericht werd geplaatst in Krabbels, Onderweg en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.