Dortmund

We rijden terug vanaf het Messezentrum naar ons hotel. Het is spitsuur. De straten staan vol met rijdende auto’s. Drie banen breed hokt het verkeer met het ritme van de verkeerslichten. Wij bevinden ons er middenin en met onze auto deinen we in het ritme mee. Langzaam maar zeker gaan we vooruit. De stoepen zijn leeg, al het leven is ingeblikt.

Even verderop lost het zich een beetje op. Het verkeer gaat meer vloeien. De stops worden minder, het schokken wordt meer en meer een vloeiende beweging. En zo stromen we uiteindelijk drie banen breed richting ons hotel.

Op eens staat daar naast al dat blik, aan de rand van de weg een bord. Het is niet groot, maximaal 40x80cm. en gemonteerd op een paal. Ik lees op dat bord twee woorden:

Zo maar uit het niets doemen deze twee woorden op. Langs een weg waar alleen auto’s rijden, waar voetgangers taboe zijn, waar het blik en de levenloosheid heerst, staan twee woorden:

Een man, niet groot, staat achter het bord. Zijn kleren zijn donker. Zijn rugzak hangt scheef op zijn rug en hij leunt min of meer tegen die paal, die hij vasthoudt. Hij ziet er troosteloos uit, uitgeput lijkt het wel, alle hoop lijkt bij hem vervlogen. Hangend tegen die paal die hij omhoog houdt, zijn enige steun lijkt het:

Letterlijk houdt hij zich staande, het is zijn enige steun in een wereld die voorraast in blik, waarbij hij nog de enige mens lijkt te zijn in een wereld van asfalt, uitlaatgassen en stress. Hij heeft zijn steunpunt gevonden, naast een wereld in haast, die hem waarschijnlijk uitput.

Maar wie ziet hem nog?

Advertenties
Geplaatst in Krabbels, Onderweg | Tags: , , ,

Het onmogelijke

Aan het einde van de laatste dag van een bezoek aan Wenen zijn we op zoek naar een eetgelegenheid. Deze avond gaan we met de nachttrein terug naar huis, we willen nog even ergens een snelle hap naar binnen werken. Na een aantal menukaarten te hebben bekeken, lopen we terug naar een goedkope pizzeria.

Op één van de straten die we passeren zit een vrouw weggedoken in een portiek. Ze met een kartonnen bekertje in haar hand hoopt ze van de passanten geld te ontvangen; ze bedelt. Zij is niet de enige. Tegenover de ingang van een supermarkt zit een man. Zij jas is gescheurd en hij heeft een groezelige warme muts op. Ook hij zit met een bekertje in zijn hand. Ook bij de Stephansdom zie ik een vrouw zitten. Ze zit op haar knieën en haar blik is naar beneden gericht. Ze houdt haar ogen gesloten. Voor haar staat een oud koffiebekertje. Er zijn veel zwervers in Wenen. En wat me opvalt is de jonge leeftijd van de mensen. Een deel van hen schat ik rond de 30 jaar oud.

Deze mensen zitten dag in dag uit, weer of geen weer, met een bekertje in de hand op straat. Ze staren in het niets. Met haast dode ogen kijken ze je aan en vragen om een aalmoes. En eigenlijk weten ze al dat ze niets krijgen, of hoogstens een fooi. De hoop dat ze ooit uit dit dal zullen komen is allang verloren. Aan het einde van de dag kijken ze naar hun ‘dagloon’ en kopen er eten voor om zo de volgende dag te kunnen halen.

Hoewel ze de hoop lijken op te geven, hebben ze toch nog ergens een overlevingsdrang. Elke dag komen ze terug naar hun plek om geld op te halen. Ze geven het niet op. Ze blijven terugkomen. Ik kwam er achter dat voor een aantal van deze mensen deze drang voortkomt uit hun verantwoordelijksgevoel.

Een deel van de zwervers in Wenen zijn mensen met een vervlogen hoop op beter leven. Zij komen uit een ander (Europees) land. In hun eigen land is hun een droom voorgehouden van een goed betaalde baan in het buitenland. Eenmaal daar aangekomen bleek die baan een loze belofte te zijn. En dan staan ze gewoon op straat, want geld voor een terugreis hebben ze niet. In de hoop op die goede baan hebben sommigen ook hun kinderen meegenomen. Zij hebben dus een extra probleem. Naast dat ze zichzelf in leven moeten houden, hebben ze de verantwoordelijkheid voor het leven van hun kinderen.

Bedelen is dan nog de enige optie.

Deze mensen waren met andere verwachtingen aan hun leven begonnen. Ook zij waren hoopvol en wilden een goed leven leiden en hun kinderen een goede toekomst bieden. Maar hun leven ging een andere kant op. In plaats van te klimmen, daalden ze af. Hun leven kwam in handen van anderen. Hun inkomen werd afhankelijk van de ‘gulheid’ van andere mensen. Daarvoor gaan ze soms grenzen over van pure zelfvernedering. Zo zagen we een man die smeekte om geholpen te worden. Hij knielde en was tot tranen bewogen om een aalmoes te ontvangen. Alleen maar met de hoop dat zijn kinderen een dag zonder honger door konden komen.

In Wenen werden wij ruw geconfronteerd met onmenselijk bestaan. Leed dat wij niet kennen bereikte ons veilige wereldbeeld en brak het aan stukken. We werden getuige van de ellende in deze wereld. En zo staan ze dagelijks ook in Amsterdam, Den Haag, Utrecht op straat. Of op station Ede-Wageningen, of bij uw supermarkt. De offers die deze mensen brengen zijn in mijn ogen bovenmenselijk. Zij gaan verder dan dat ik überhaupt had kunnen denken. Deze mensen doen het onmogelijke voor hen die hun lief zijn.

Michel Altorf-van der Kuil

mei 2017

Geplaatst in Kriebels, Praktisch Christendom? | Tags: , , , , ,

Station Oosterbeek

Vandaag nam ik de trein vanuit Arnhem, terug naar huis. Op station Arnhem kon ik nog net de stoptrein naar Ede halen. Het maakt voor mij weinig uit of ik de stoptrein of intercity neem, ze doen er ongeveer even lang over.

Het eerste station waar de trein stopte was Oosterbeek. De deuren gingen open en een enkele passagier stapte uit. De deuren sloten weer en langzaam zette de trein zich in beweging. Maar echt op snelheid kwam de trein niet, wat vreemd is want er konden geen obstakels noch treinen zijn die ons hinderden.

Maar toen zag ik hem liggen. Een wat stevig gebouwde man lag op het perron. Zijn arm was om een grote bruine hond geslagen. Ze leken te slapen. De huidskleur van deze man leek mij normaal. Arm in poot lagen ze te slapen op de stenen van het perron.

Voor mij verklaarde dit de reden van de langzaam rijdende trein. De machinist was volgens mij met de politie aan het bellen, zodat zij een kijkje konden nemen bij deze man op het perron. Ik bewonderde dat de machinist dat deed, hij keek om naar zijn medemens en ondernam actie.

De trein reed verder.

‘Wacht eens,’ dacht ik. ‘Ik kan natuurlijk ook bellen. Maar zou dat niet wat raar zijn. Eerst de machinist die belde en daarna ik? En wie zou ik moeten bellen? 112 of de politie?’ Ik had er zo snel geen antwoord op. Alhoewel… In mijn gedachten wist ik dat ook ik kon bellen met een van de instanties. Maar ik deed het niet.

Station Ede-Wageningen is het eindstation van deze stoptrein.  Daar aangekomen wachtte ik even tot de machinist uit zijn cabine kwam. Ik groette hem en sprak met hem over de man in Oosterbeek. Hij had hem ook gezien en overlegd met de conducteur. Zij zouden actie ondernemen als de man op de terugweg (vertrektijd uit Ede na 15 min.) er nog zou liggen. Daarmee ging ik akkoord en ik wenste de mannen nog een prettige dag.

Ik checkte uit op het perron en liep de tunnel in. Deze leidde mij naar de andere zijde van het station. Tijdens deze wandeling bleef mijn geweten knagen. Eenmaal buiten het station belde ik alsnog de politie (0900-8844). Zij zouden gaan kijken.

Michel Altorf-van der Kuil

Geplaatst in Onderweg, Praktisch Christendom? | Tags: , , , , , ,

Samen zijn

contactMichel Altorf- van der Kuil

Geplaatst in Gedicht | Tags: , , , , , ,

Mozes, zijn verhaal

Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanistische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de berg Horeb, de berg van God. Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur verteerde. Mozes kwam naderbij om dit verschijnsel van dichtbij te bekijken. Maar de HEER waarschuwde hem: “Mozes!”

“Ik luister,” was Mozes’ antwoord.

“Kom niet dichterbij en doe je sandalen uit, want de grond waar je op staat is heilige grond.” :zo sprak de HEER..  En God vervolgde: “Ik heb gezien hoe mijn volk behandeld wordt. Ik heb gezien hoe ze als slaven te werk worden gesteld. Ik ga daar wat aan doen, en jij Mozes, jij moet me daarbij helpen.”

Mozes antwoordde: “Ik? Wie ben ik dat ik U mag helpen? Weet u niemand anders? Mijn schoonvader Jetro, hij weet van aanpakken, maar ik? En zullen de Israëlieten mij wel geloven als ik bij hen kom en zeg dat U mij gestuurd hebt?”

God zei tot Mozes: “Ik zal bij je zijn op het moment dat jij met de Israëlieten spreekt, Ik zal bij je zijn als je voor de farao staat. Je moet zeggen: “De Heer heeft mij gestuurd, De Heer heeft besloten jullie hier weg te halen en jullie te brengen naar het land van jullie voorouders, het land van melk en honing. Het gebied van de Kanaänieten, Perizzieten, Amorieten en Jebusieten.”

Maar Mozes maakte bezwaar: “HEER, wie ben ik dat ik dat kan doen? Zullen ze niet zeggen dat ik teveel gesnoven heb? Die schaapsherder uit de woestijn, die heengezonden prins van het Egyptische hof? Ze zullen zeggen dat als zij niet luisteren, ik hen verrot zal slaan. Daarnaast ik ben tevreden met mijn leven, ik heb een vrouw, leuke kinderen en vriendelijke schoonouders. Wie kan dat nu zeggen?”

“Maar Mozes, ik biedt je een promotie aan. In plaats van over een honderdtal schapen en geiten te hoeden, bied ik je een baan van een herder over honderdduizenden aan. Juist die prins van Egypte die opkomt voor het recht, juist die herder die de woestijn als zijn broekzak kent, juist die persoon is geschikt voor deze vacature. Daarom dacht Ik gelijk aan jou!” : aldus sprak God.

“Mag ik hier even over nadenken en met mij vrouw overleggen?” Mozes twijfelde aan zijn kunnen. “Wat zal zij wel niet zeggen als ik zeg dat ik aangesteld ben om een paar honderdduizend mensen weg te leiden uit Egypte naar Kanaän? Ze zal me voor gek verklaren. Dat is een harstikke drukke baan met veel verantwoordelijkheden. Waarom ik? Mag ik hier even over nadenken? Daarnaast moet ik ook even in de Bijbel kijken of hier over teksten staan die ik kan gebruiken ter motivatie.”

“Die Bijbel moet nog geschreven worden,” was Gods directe reactie, “daarvoor is het nu nog te vroeg. Het gaat daar ook niet om. Ik richt mij direct tot jou, Mozes. Ik vind jou capabel genoeg om deze opdracht uit te voeren. Jij kunt het, daarom riep ik je ook vanuit deze brandende struik. Ik moest iets verzinnen om jouw aandacht te krijgen. Maar jij Mozes, jij kunt deze opdracht aan, dat weet Ik, want Ik ken jou. Ik ben degene die jou gemaakt heeft. Deze taak zal pittig voor je zijn, het is geen geringe opdracht, maar Ik weet dat jij deze opdracht aan kunt. Daar hoef je niet verder over na te denken, noch in stille tijd een overweging over te maken. Je kunt het, Ik vertrouw jou daarin. Wees daarmee gerust en ga er mee aan de slag.”

Maar Mozes antwoordde: “Neemt U mij niet kwalijk Heer,, maar ik ben geen goede spreker. Dat is altijd zo geweest en daar is nu geen verandering in gekomen nu U tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik zal nooit de juiste woorden vinden.”

Maar de HEER zei: “Met jouw eerdere argumenten kon ik inkomen, maar nu sla je de plank behoorlijk mis. Iemand die echt niet kon spreken had nooit zoveel overwogen weerwoord gegeven als jij nu doet. Mozes, je weet je er aardig uit te praten, maar kom nu maar met een beter argument.”

“Mag ik er echt niet even nog een nachtje over slapen? Ik ben u best wel moe en een wel overwogen beslissing kan ik nu echt niet maken. Ook komt het mij nu ook niet uit om naar Egypte af te reizen. Veel geiten moeten bevallen, de schapen zijn stuurs vanwege te weinig voedsel, mijn schoonvader Jetro verwacht dat ik nog zeker wel een tijd bij hem zal werken….”

God brak Mozes af: “Natuurlijk zie je op tegen deze zware taak. Het zal geen leuke tijd zijn die je door gaat brengen met een grote verzameling klagers en zeurders. Want dat zijn het, dat volk van mij, bereid je daar maar op voor. Het zijn mensen en ze blijven verlangen naar het verleden, want toen was alles beter. Nou ja, dat denken zij. Veranderingen zijn eng en dat weet Ik. Adam was niet blij toen Ik hem de tuin uitzette, Eva evenmin. Ook bij Noach duurde het even voordat zijn enthousiasme het won van zijn angsten. Abraham ging ook niet geheel vrijwillig weg uit Ur naar Kanaän en Jakob heeft heel wat peentjes gezweet op weg naar zijn oom Laban  en ook weer op de terugweg, naar een ontmoeting met zijn broer Ezau. Alle  mensen die iets mogen doen in Mijn naam staan daar niet om te springen. Jij dus ook niet, dat had Ik wel verwacht. Maar je hebt gelijk, je zwamt teveel. Je broer Aäron zal je komen helpen, maar dan moet je nu wel op pad. Je kunt het! Ik geloof in jou!”

Een beetje morrend ging Mozes overstag: “Oké Heer, als zij het ook zo gedaan hebben….” Om dan zuchtend: “U gelooft echt in mij?”

God: “Jazeker Mozes. Ik hou van jou. Ik weet wat jij kunt. Ik vertrouw jou. Je kunt het echt. En je gaat niet alleen, Ik zal met jou mee gaan. Daar kan je van op aan.”

Aldus geschiedde. En Mozes keerde terug van de berg en ging naar zijn schoonvader Jetro en zie tegen hem: “Ik zou graag teruggaan naar Egypte, om te zien of de mensen van mijn volk nog in leven zijn” “Ga in vrede.” :antwoordde Jetro. Mozes zette zijn vrouw en kinderen op een ezel en ging op weg, terug naar Egypte.

Michel Altorf- van der Kuil

 

 

Geplaatst in bijbel, Uit de oude doos | Tags: , , , , ,