Machtsgevoel

Onze kerk gaat verhuizen. Het huidige gebouw is al jaren wat klein en zeker in de kinderkerk en crèche is dat merkbaar. In de kerkzaal is het gewoon wat knus gezellig, we zitten wat dicht op elkaar, waarbij er bij sommige rijen er een ‘economy-class’ gevoel kon ontstaan.

Ondertussen zijn we vanwege de covid- 19 maatregelen al maanden niet meer samengekomen. De kerkdiensten worden via een live-stream uitgezonden. In die periode ben ik er nog drie keer geweest, 2x als ouderling en de laatste keer, afgelopen zondag, omdat ik de dienst mocht leiden.

Als kerk, zijn we al jaren op zoek geweest naar een nieuw gebouw. Uiteindelijk is er één gevonden in dezelfde woonplaats. We kunnen gebruik maken van een oud congresgebouw. In eerste instantie zouden we allen gebruik maken van een klein deel, maar de afgelopen weken werd bekend dat we meer ruimte kregen. Komende zondag is de eerste dienst in de grootste zaal in het gebouw. En dankzij de meest recente versoepelingen kunnen we nu als kerk in zijn geheel samenkomen bij de eredienst. Volgens mij is dat uniek in Nederland.

Gisteren heb ik meegeholpen met de verhuizing. De zaal is echt groot. De stoelen verdwijnen in het niets. Terwijl ik achter in de zaal wat spullen heen en weer breng, loopt iemand anders op het podium. Ik kijk naar hem en realiseer mij, dat de afstand groter is  dan de lengte van ons oude gebouw. Hij staat op het hoge podium en is daardoor van achteruit goed zichtbaar.

Later, gisteravond, stond ik ook op het podium. Het was al laat, de laatste spullen moesten nog even op het podium gezet worden. De zaal was leeg, op de lege stoelen en enkele mensen achter in de zaal na. Het is een hoog podium, zeker 1.30m als het niet hoger is.

Ik stond daar op het podium en keek de zaal in. Dat het wat anders was dan onze vorige kerkzaal, had ik wel verwacht, maar zowel de hoogte van het podium als de grootte van de zaal maakte indruk op mij.

Ik stelde mij voor dat alle stoelen die er nu stonden bezet waren (netto ongeveer 150 zitplaatsen). Ze staan ver uiteen, vanwege covid-19 maatregelen, maar zelfs nu als ze allemaal bezet zouden zijn geweest, zag de zaal er redelijk gevuld uit.

Staande op het podium, kijkend naar de zaal die in gedachte gevuld was met mensen, gaf het mij een gevoel van macht. Je staat hoger, iedereen kijkt naar je, de afstand is groot genoeg om het publiek als massa te zien en niet als individu.

Ik voelde de mogelijkheid om het publiek (want zo zag ik het) op te kunnen zwepen, via ‘Halleluja’s’ en ‘Amen’s’. Zelfs zonder de juiste belichting, de juiste muziek, of indoctrinerend gepingel op piano of gitaar. Ik voelde de mogelijkheden om mensen naar mijn hand te kunnen zetten.

Puur door de positie die ik innam op dat podium, de ruimte die ik ook had om heen en weer te lopen en zo de hele zaal kon bespelen, zou ik met makkelijke woorden een massa op kunnen zwepen, maatschappelijk succes kunnen hebben en daarmee volgers kunnen krijgen.

En dan wordt zo’n grote zaal met zo’n hoog podium best wel link. Want het is een kerk. En als spreker heb je daar een andere functie dan de massa’s op te zwepen. Eigenlijk zoude de kerkgangers op het podium moeten zitten en de spreker in de zaal. Of zou het podium 1,30m diep moeten zijn, als een kuil, om zo de kerkgangers de voeten te kunnen wassen.

Want als spreker ben je dienend voor de gemeente.

Michel Altorf- van der Kuil,
30 juni 2020

 

 

 

Geplaatst in Krabbels | Tags: , ,

Mandarijntje

Met de stoptrein zijn we onderweg naar Arnhem. Het is midden op de dag en we zitten te lunchen. Met een boterham in de dag rijden we zo over de zuidrand van de Veluwe. In één van de tussenliggende stations stapt een man in de trein en gaat schuin tegenover mij zitten, aan de andere kant van het gangpad. Ik kijk naar hem, hij ziet er wat eenvoudig uit, zowel in kleding als in zijn houding.

De trein heeft het station alweer verlaten en de man pakt een pakje shag en begint een sigaret te draaien. Ondertussen eet ik gewoon verder aan mijn boterham.
Even later vraag de man aan ons en onze medepassagiers: “Heeft u er bezwaar tegen als ik hier rook?” Ik antwoord hem: “Ja, ik heb bezwaar. Het is ook een niet-roken trein.”
“Dat is waar”, zegt hij. “Je krijgt daar gedoe mee, en dat wil ik niet.” Ik beaam dat.

Uit mijn tas pak ik een mandarijntje. ik begin deze te pellen om het vervolgens op te peuzelen.
“Waar heeft u deze mandarijntjes gekocht?”, vraagt de man aan mij. “Gewoon op de markt in ons dorp”, antwoord ik hem. Ik kijk in mijn tas en zie er nog één liggen. “Wilt u ook een mandarijntje?” vraag ik hem. “Ja, graag.” is zijn antwoord. Ik geef hem het mandarijntje en hij eet het, na het schillen, op.

We zijn in bijna bij station Arnhem. Ik begin mijn spullen te pakken. Vervolgens loop ik naar de prullenbak bij de deuren van de trein en gooi de schilletjes van mijn mandarijntje weg. De man staat ook op. Hij loopt ook naar de deuren, maar dan aan de andere kant van de trein. Aan zijn kant duikt het perron op.

“Volgens mij moeten we aan deze kant uitstappen” zegt hij.
“Dat denk ik ook,” zeg ik. “Al is het aan mijn kant wel avontuurlijker.”
De rest van de mensen op het balkon staan er stoïcijns bij.

De trein stopt en hij doet de deuren open.
“Bedankt voor het mandarijntje!” zegt hij. En met grote passen verlaat hij de trein en gaat het perron op. Ik kijk hem na. In de tunnel van het station zie ik hem nog net door de poortjes naar buiten lopen. Toch geen sigaretje roken?

Michel Altorf- van der Kuil, Maart 2020

Geplaatst in Onderweg | Tags: , , , ,

Waar doe ik het eigenlijk nog voor?

Soms wordt ik ontmoedigd. Soms denk ik waarom leef ik mijn leven zoals ik het leef? Waarom maak ik het mij niet gemakkelijker? Waarom doe ik niet gewoonweg mee met alle gekte van alledag en draai ik mee in de facebook/what’sapp/instagramm samenleving, rijdt ik gewoon een auto, ga ik met het vliegtuig op vakantie en gooi ik al mijn afval gewoon in de grijze container. Waarom doe ik dat niet gewoon?

Vandaag heb ik weer zo’n dag. In de NRC lees ik over de Formule 1 race die dit jaar in Zandvoort gehouden wordt. Los van de herrie die het veroorzaakt, los van de viezigheid die deze auto’s uitstoten, los van alle milieubelasting die de gehele organisatie kost (aanpassen van de omgeving, invliegen van de organisatie, invliegen van alle teams etc), is dit het raar dat het evenement in Zandvoort gehouden wordt. Het ligt aan een doodlopende straat, aan een doodlopende spoorlijn in een uithoek van de Randstad, omgeven door beschermde natuurgebieden. En dat blijkt ook, voor alles moet een milieuvergunning worden aangevraagd (want kwetsbaar gebied), er is geen ruimte om de bezoekers aan te voeren en er is ook geen ruimte om de teams te huisvesten. Want deze mogen over het strand naar Zandvoort rijden, lees ik dus in het artikel.

De logica en efficiëntie is ook ver te zoeken in deze formule 1 gekte. Men verwacht zo’n 100.000 bezoekers per dag. Het is een groot evenement, alhoewel…. Het is twee keer Opwekking, Lowlands, of Pinkpop. Dus eigenlijk valt het wel mee. Maar dat laat niet na dat er veel geïnvesteerd wordt in de voorzieningen en het circuit. Er is ineens wel geld om een lullige verbinding met Zandvoort te verbeteren, die daarna niet meer zo intensief gebruikt wordt. Maar geld om de Randstad dichter bij het noorden te brengen is er nog steeds niet. Terwijl die laatste verbinding in de toekomst zijn nut nog wel kan hebben. En in Assen is er een parcours, met alle benodigde vergunningen,  waar de Formule 1 in feite zo aan de slag kan.

Het lijkt dat regels die voor ons, gewone mensen gelden, houden op te bestaan zodra er iets gaat gebeuren waar veel geld mee gemoeid is. Het lijkt, dat als je veel geld hebt, dat je dan gewoon kunt doen waar je zin in hebt. Nu is dat eigenlijk al jaren zo, maar nu ik er weer even mee geconfronteerd wordt doet dat wel pijn. Al die jaren dat ik als inwoner van Nederland minder auto reed, nauwelijks gevlogen heb, alles zoveel mogelijk met het openbaar vervoer en fiets probeerde te bereiken, plastic verpakking probeerde te weigeren, zo min mogelijk te consumeren, met de reden om anderen ook ruimte te geven om te kunnen leven, wordt zo met het starten van 1 Formule 1 auto vernietigd. En dan niet alleen door die auto, maar ook door alle extra maatregelen die voor dit evenement getroffen moeten worden.

Waar doe ik het nog voor?

Uiteindelijk doe ik het voor mijzelf, voor mijn naaste omgeving en voor de druppel. Ik heb ooit wel een ander leven gehad, met een grote auto, met veel vliegverkeer, meedraaiend in de grote massa van de samenleving. Maar daar werd ik niet gelukkiger van. Bij het plannen van een modelspoorproject  wordt altijd gezegd: “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister.” (J.W. von Goethe) en dat geldt ook voor het leven. Door je te beperken houd je meer ruimte over om ervan te genieten.

Maar ook wil ik graag dat de mensen om mij heen een goed leven kunnen leiden. Dat ze ook de kans kunnen krijgen en de ruimte hebben om te kunnen leven. Dat geldt voor mijn leeftijdsgenoten, maar meer voor hun kinderen. Hun toekomst moet er nog wel zijn en met ons leefgedrag, is het maar de vraag of zij op dezelfde wijze kunnen genieten van het leven als wij.

En die druppel? Dat is de druppel op de gloeiende plaat. En die wordt door dit evenement, naar mijn gevoel, weer even kleiner. Maar aan de andere kant geloof ik nog steeds wel in de druppel. Door een ander voorbeeld te geven kan je mensen inspireren, of aan het nadenken zetten. En misschien heeft dat een effect op hun leven, waarbij die druppel toch iets groeit. En bij genoeg druppels, klein en groot, koelt die plaat echt wel iets af.

Michel Altorf- van der Kuil

Geplaatst in Krantenkriebels, Praktisch Christendom? | Tags: , , , , , ,

Groenten uit de supermarkt

Sinds kort koop ik de groenten voor ons thuis weer op de markt. Maar dit doe ik niet in het eigen dorp. In ons dorp is de markt op vrijdag en het is een kleine markt. Maar dat is niet het probleem. Het probleem zijn de groenten die je er kunt kopen. Het zijn goede groenten, stuk voor stuk zijn de groenten kwalitatief van goede kwaliteit. En daar betaal je natuurlijk ook voor. De groenten die ik in mijn dorp op de markt koop zijn vergelijkbaar met die in de supermarkt. Voor onze groenten fiets ik nu naar een (wat groter) dorp verderop.

Vroeger, toen ik net op mijzelf ging wonen, had de Centra (de supermarkt) een groenteman. Met je winkelwagen liep je de supermarkt binnen en vroeg je aan de groenteman dat wat je nodig had. Hij pakte die, woog ze af en voorzag je hele pakket van een bonnetje. Bij de kassa kon je alles afrekenen.

Het voordeel van die groenteman was dat hij alles regelde. Had je een pond paprika’s nodig, dan kreeg je een pond paprika’s. Tegenwoordig is dat een stuk lastiger. Door de zelfbediening in de supermarkt denkt de supermarkt nu voor ons. En dat heeft zo zijn gevolgen. Want om fraude tegen te gaan en om het de consument ‘makkelijker’ te maken krijgen veel producten een eenheidsprijs. Je betaalt per paprika in plaats van een kiloprijs.

En dat heeft een groot nadeel. Omdat je per stuk betaalt en niet per hoeveelheid zullen de producten ongeveer even groot moeten zijn. Als klant wil je waar voor je geld, ongeacht of je het nodig hebt, je kiest toch altijd de grootste of mooiste paprika. En dat zie je aan de paprika (en veel andere groenten, fruit gaat veelal nog per gewicht). De paprika die ik in de supermarkt koop is groot en opgeblazen, ideaal voor een gevulde paprikaschotel. Maar ja, hoe vaak eet je die?

Maar het standaardiseren heeft volgens mij ook andere nadelen. Veel groenten die niet aan de norm voldoen worden afgewezen en waarschijnlijk verwerkt tot andere producten (hoop ik). Maar een deel wordt ook weggegooid, verwerkt tot veevoer. Koeien die boontjes uit Kenia eten, omdat ze net te groot zijn (zie artikel, 2011).

De markt in mijn dorp verkoopt groenten per kilo. Maar het zijn wel de groenten die de supermarkt ook verkoopt. Ze zien er perfect uit en gaan lang mee. En de prijs ligt net iets onder die van de supermarkt. Het is net als vroeger bij de supermarkt, prima kwaliteit, prima service. Maar toch wordt ik er niet echt blij van.

Hoe anders als ik naar de markt ga in het dorp verderop. Ik moet er even voor fietsen, maar dat heb ik er voor over. De kraam waar ik heen ga is in mijn ogen uniek in deze omgeving. Natuurlijk hebben ze er de standaard groenten, zoals paprika’s. Je kunt ze per gewicht kopen, niet per stuk. En ze hebben niet een standaard grootte. Ik koop er vaak een zakje (!) van 1,5 kilo. Hierin zitten de meest rare paprika’s, goede kwaliteit, maar vaak wel misvormd.  Maar dat maakt niets uit, ik versnij ze toch voor de maaltijd.

Het mooiste vind ik de extra afdeling die deze marktkoopman heeft. Hier kan je groenten kopen die de afgelopen week niet verkocht zijn, maar vaak ook bijna verlopen zijn. Vaak koop ik twee kilo tomaten (gekneusd, half zacht) voor soep of saus, aubergines (voor het eind van het weekeinde opeten) en zacht fruit (Jam!). Maar ook koop ik er een licht bedorven ananas, snijbonen met vlekken of een niet stralend witte bloemkool met van die zwarte plekjes. Je betaalt er weinig voor, het is gewoon eten, en de koopman hoeft het niet weg te gooien, het is een win-win situatie.

En nadat ik een uur weg ben geweest (ik babbel vaak ook even met de koopman), alleen maar om naar de markt te gaan, kom ik blij en tevreden thuis. Vervolgens ga ik nog langs de biologische winkel, de kaasboer (ook voor een kort gesprekje) en voor wat basisspullen langs de supermarkt. Boodschappen doen is op deze manier gezellig. De individualistische terreur (met bijbehorende prijzen) van de groentenafdeling  van de supermarkt kan ik overslaan. Hoe glimmend ze er ook uitzien aan de buitenkant, het gehele verhaal van de groenten in de supermarkt vind ik rot.

Michel Altorf- van der Kuil

December 2019

Geplaatst in Kriebels, Praktisch Christendom? | Tags: , , , ,

Smartphone

Ik heb geen smartphone. En ook geen tablet. Toen deze apparaten op de markt kwamen zag ik het nut er niet van in. Dat had ik ook met de CD-speler, deMP3-speler, de mobiele telefoon en de digitale fotocamera. Mijn vrienden kennen mij als iemand die zeker op technisch innovatief gebied altijd achterloopt. En ze hebben daarin gelijk. Het grote voordeel van mijn houding is wel, dat ik daarmee ook geld bespaar. De ontwikkeling van de eerste nieuwe producten loopt zo snel, dat het product al verouderd is op het moment dat je het koopt. Door enkele jaren te wachten met de aanschaf, zijn de betaalbare producten veel geavanceerder en is het verschil tussen de dure en goedkopere producten detailwerk.

Zo ook bij de Smartphone, ik vond het ding duur en ik miste de toegevoegde waarde. Ik heb geen behoefte om op elke plaats waar ik ben informatie op te vragen. Ook niet als de trein te laat is, ik ergens in een file verzeild raak of ik wil weten wat de openingstijden zijn van een attractie. En zeker sinds de sociale media fors zijn opgekomen wordt het ding nog minder aantrekkelijk. Voor mijn gevoel zit half Nederland gebogen over een schermpje te communiceren met de andere helft. Met iemand rustig praten is er soms nauwelijks meer bij, om de zoveel tijd gaat er wel een piepje af of grijpt iemand in een stil moment naar dat ding. Dat laatste illustreert het gevaar dat ik bij mij zelf zou gaan zien, ik heb net geen internetverslaving, maar ik ben er wel heel gevoelig voor. Met een Smartphone zou ik dan de mogelijkheid hebben om op elk moment het internet op te kunnen, waarmee een directe afhankelijkheid (zoals bij roken) voor mij niet ondenkbaar was.

In het bovenstaande beeld is voor mij maar weinig verandert. Maar sinds enkele jaren speelt er meer mee. Doordat ik de theorie achter de Commerciële Theologie verder ontwikkel en mijn christelijk geloof verdiep door een enkele Bijbelstudie, word ik mij er meer van bewust dat het leven dat wij leiden hier in West-Europa ten koste gaat van het leefgenot van mensen elders. Zo lees ik over naaiateliers waar volwassenen en kinderen lang achter elkaar werken voor een hongerloontje. Ik hoor over kinderslavernij op cacaoplantages. En ik zag de gevolgen van het gebruik van kernenergie. Maar ik las toen ook over de mijnbouw voor de grondstoffen van de batterijen voor onze elektronische apparatuur in Congo, over de conflicten die daar zijn vanwege schaarse grondstoffen, over de omstandigheden waaronder de mijnbouwers werken en over de ontwrichting van dorpen voor diezelfde mijnbouw.

Maar ook begrijp ik meer en meer dat mijn surfgedrag op internet meer kost dan alleen de elektriciteit die mijn laptop verbruikt. Al die datacentra waar de websites op staan draaien dag en nacht op stroom. En deze stroom wordt opgewekt door steenkool, aardgas, kernenergie, zonne-energie, windenergie, noem maar op. Door mijn emailaccount, dropbox, Flickr (en deze website) en mijn surfgedrag draag ik indirect bij aan de CO2 uitstoot. En ik kan het internetgebruik niet laten.

De aanschaf van een Smartphone en het gebruik daarvan heeft dus een negatief effect op het leven van andere mensen. Mensen die ik niet ken, mensen die ik nooit zal kennen, maar die wel de effecten kunnen krijgen door mijn internetgebruik, mijn surfgedrag. Het is voor mij een extra reden om niet bij Facebook een account te hebben, noch Whatsapp, en mijn internetgebruik zoveel mogelijk te beperken (wat absoluut niet lukt). Alleen maar om mijn dataverkeer te beperken en daarmee het energieverbruik. Telefonisch ben ik wel mobiel bereikbaar, want die is uit 2009, dus een sms is ook mogelijk. Maar gezien de effecten die de Smartphone heeft bij zowel de fabricage, als bij de gebruikers, als voor het extra energieverbruik, lijkt mij die Smartphone voor mij eerder not done.

Michel Altorf- van der Kuil

Geplaatst in Kriebels, Praktisch Christendom? | Tags: , , ,